Adjective: belezen
Indefinite Forms
| masc. & fem. | belezen |
| neuter | belezen |
Comparison Forms
| Positive | belezen |
| Comparative | belezener |
| Superlative | belezenste |
Sample Sentences
-
Hij is een belezen man en kan over veel verschillende onderwerpen meepraten. (He is a well-read man and can discuss many different topics.)
-
Ze is zeer belezen en heeft een brede kennis van literatuur. (She is very well-read and has a broad knowledge of literature.)
-
De bibliothecaris is erg belezen en kent veel boeken uit zijn hoofd. (The librarian is very erudite and knows many books by heart.)
Adjectives inflected like belezen
benepen,
beraden,
belegen,
belezen,
bezeten,
gedwongen,
onervaren,
rechtschapen,
onbezonnen,
lijfeigen,
leeftijdgebonden,
gedegen,
genegen,
geladen,
gelegen,
overspannen,
volslagen,
geslachtsgebonden,
onverholen,
dronken, etc. (List truncated at 20 adjectives)
Etymology
From belezen, past participle of belezen.
Translations