wegcijferen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wegcijferen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wegcijferen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wegcijferend
Past participle - Verleden deelwoord: weggecijferd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcijfer weg
jijcijfert weg
hijcijfert weg
wijcijferen weg
julliecijferen weg
zijcijferen weg

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb weggecijferd
jijhebt weggecijferd
hijheeft weggecijferd
wijhebben weggecijferd
julliehebben weggecijferd
zijhebben weggecijferd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcijferde weg
jijcijferde weg
hijcijferde weg
wijcijferden weg
julliecijferden weg
zijcijferden weg

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad weggecijferd
jijhad weggecijferd
hijhad weggecijferd
wijhadden weggecijferd
julliehadden weggecijferd
zijhadden weggecijferd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wegcijferen
jijzult wegcijferen
hijzal wegcijferen
wijzullen wegcijferen
julliezullen wegcijferen
zijzullen wegcijferen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal weggecijferd hebben
jijzult weggecijferd hebben
hijzal weggecijferd hebben
wijzullen weggecijferd hebben
julliezullen weggecijferd hebben
zijzullen weggecijferd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wegcijferen
jijzou wegcijferen
hijzou wegcijferen
wijzouden wegcijferen
julliezouden wegcijferen
zijzouden wegcijferen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou weggecijferd hebben
jijzou weggecijferd hebben
hijzou weggecijferd hebben
wijzouden weggecijferd hebben
julliezouden weggecijferd hebben
zijzouden weggecijferd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcijfer weg

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information