voorhebben – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of voorhebben

The word "voorhebben" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: voorhebben
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: voorhebbend
Past participle - Verleden deelwoord: voorgehebd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikheb voor
jijhebt voor
hijhebt voor
wijhebben voor
julliehebben voor
zijhebben voor

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb voorgehebd
jijhebt voorgehebd
hijheeft voorgehebd
wijhebben voorgehebd
julliehebben voorgehebd
zijhebben voorgehebd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhebde voor
jijhebde voor
hijhebde voor
wijhebden voor
julliehebden voor
zijhebden voor

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad voorgehebd
jijhad voorgehebd
hijhad voorgehebd
wijhadden voorgehebd
julliehadden voorgehebd
zijhadden voorgehebd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal voorhebben
jijzult voorhebben
hijzal voorhebben
wijzullen voorhebben
julliezullen voorhebben
zijzullen voorhebben

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal voorgehebd hebben
jijzult voorgehebd hebben
hijzal voorgehebd hebben
wijzullen voorgehebd hebben
julliezullen voorgehebd hebben
zijzullen voorgehebd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou voorhebben
jijzou voorhebben
hijzou voorhebben
wijzouden voorhebben
julliezouden voorhebben
zijzouden voorhebben

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou voorgehebd hebben
jijzou voorgehebd hebben
hijzou voorgehebd hebben
wijzouden voorgehebd hebben
julliezouden voorgehebd hebben
zijzouden voorgehebd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijheb voor

Verbs similar to 'voorhebben'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Wees gerust, ik heb het goed met jullie voor. (Rest assured I intend the best for you.)
  • Gelukkig had ik mijn schort voor toen de kan uit mijn handen glipte. (Luckily I was wearing my apron when the can slipped out of my hands.)

Etymology

From voor (“before, in front of”) + hebben (“to have”).

Additional Information