vertroebelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vertroebelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vertroebelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vertroebelend
Past participle - Verleden deelwoord: vertroebeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvertroebel
jijvertroebelt
hijvertroebelt
wijvertroebelen
jullievertroebelen
zijvertroebelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb vertroebeld
jijhebt vertroebeld
hijheeft vertroebeld
wijhebben vertroebeld
julliehebben vertroebeld
zijhebben vertroebeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvertroebelde
jijvertroebelde
hijvertroebelde
wijvertroebelden
jullievertroebelden
zijvertroebelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad vertroebeld
jijhad vertroebeld
hijhad vertroebeld
wijhadden vertroebeld
julliehadden vertroebeld
zijhadden vertroebeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vertroebelen
jijzult vertroebelen
hijzal vertroebelen
wijzullen vertroebelen
julliezullen vertroebelen
zijzullen vertroebelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal vertroebeld hebben
jijzult vertroebeld hebben
hijzal vertroebeld hebben
wijzullen vertroebeld hebben
julliezullen vertroebeld hebben
zijzullen vertroebeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vertroebelen
jijzou vertroebelen
hijzou vertroebelen
wijzouden vertroebelen
julliezouden vertroebelen
zijzouden vertroebelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou vertroebeld hebben
jijzou vertroebeld hebben
hijzou vertroebeld hebben
wijzouden vertroebeld hebben
julliezouden vertroebeld hebben
zijzouden vertroebeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvertroebel

Translations

  • roil, render turbid
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From troebel + ver- -en.

    Additional Information