Infinitive - Onbepaalde wijs: verschelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verschelend
Past participle - Verleden deelwoord: verscheeld
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | verscheel |
| jij | verscheelt |
| hij | verscheelt |
| wij | verschelen |
| jullie | verschelen |
| zij | verschelen |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb verscheeld |
| jij | hebt verscheeld |
| hij | heeft verscheeld |
| wij | hebben verscheeld |
| jullie | hebben verscheeld |
| zij | hebben verscheeld |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | verscheelde |
| jij | verscheelde |
| hij | verscheelde |
| wij | verscheelden |
| jullie | verscheelden |
| zij | verscheelden |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had verscheeld |
| jij | had verscheeld |
| hij | had verscheeld |
| wij | hadden verscheeld |
| jullie | hadden verscheeld |
| zij | hadden verscheeld |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal verschelen |
| jij | zult verschelen |
| hij | zal verschelen |
| wij | zullen verschelen |
| jullie | zullen verschelen |
| zij | zullen verschelen |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal verscheeld hebben |
| jij | zult verscheeld hebben |
| hij | zal verscheeld hebben |
| wij | zullen verscheeld hebben |
| jullie | zullen verscheeld hebben |
| zij | zullen verscheeld hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou verschelen |
| jij | zou verschelen |
| hij | zou verschelen |
| wij | zouden verschelen |
| jullie | zouden verschelen |
| zij | zouden verschelen |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou verscheeld hebben |
| jij | zou verscheeld hebben |
| hij | zou verscheeld hebben |
| wij | zouden verscheeld hebben |
| jullie | zouden verscheeld hebben |
| zij | zouden verscheeld hebben |
| jij | verscheel |