overschakelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of overschakelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: overschakelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: overschakelend
Past participle - Verleden deelwoord: overgeschakeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschakel over
jijschakelt over
hijschakelt over
wijschakelen over
jullieschakelen over
zijschakelen over

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb overgeschakeld
jijhebt overgeschakeld
hijheeft overgeschakeld
wijhebben overgeschakeld
julliehebben overgeschakeld
zijhebben overgeschakeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschakelde over
jijschakelde over
hijschakelde over
wijschakelden over
jullieschakelden over
zijschakelden over

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad overgeschakeld
jijhad overgeschakeld
hijhad overgeschakeld
wijhadden overgeschakeld
julliehadden overgeschakeld
zijhadden overgeschakeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal overschakelen
jijzult overschakelen
hijzal overschakelen
wijzullen overschakelen
julliezullen overschakelen
zijzullen overschakelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal overgeschakeld hebben
jijzult overgeschakeld hebben
hijzal overgeschakeld hebben
wijzullen overgeschakeld hebben
julliezullen overgeschakeld hebben
zijzullen overgeschakeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou overschakelen
jijzou overschakelen
hijzou overschakelen
wijzouden overschakelen
julliezouden overschakelen
zijzouden overschakelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou overgeschakeld hebben
jijzou overgeschakeld hebben
hijzou overgeschakeld hebben
wijzouden overgeschakeld hebben
julliezouden overgeschakeld hebben
zijzouden overgeschakeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschakel over

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

over + schakelen

Additional Information