Infinitive - Onbepaalde wijs: verplichten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verplichtend
Past participle - Verleden deelwoord: verplicht
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | verplicht |
| jij | verplicht |
| hij | verplicht |
| wij | verplichten |
| jullie | verplichten |
| zij | verplichten |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb verplicht |
| jij | hebt verplicht |
| hij | heeft verplicht |
| wij | hebben verplicht |
| jullie | hebben verplicht |
| zij | hebben verplicht |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | verplichtte |
| jij | verplichtte |
| hij | verplichtte |
| wij | verplichtten |
| jullie | verplichtten |
| zij | verplichtten |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had verplicht |
| jij | had verplicht |
| hij | had verplicht |
| wij | hadden verplicht |
| jullie | hadden verplicht |
| zij | hadden verplicht |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal verplichten |
| jij | zult verplichten |
| hij | zal verplichten |
| wij | zullen verplichten |
| jullie | zullen verplichten |
| zij | zullen verplichten |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal verplicht hebben |
| jij | zult verplicht hebben |
| hij | zal verplicht hebben |
| wij | zullen verplicht hebben |
| jullie | zullen verplicht hebben |
| zij | zullen verplicht hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou verplichten |
| jij | zou verplichten |
| hij | zou verplichten |
| wij | zouden verplichten |
| jullie | zouden verplichten |
| zij | zouden verplichten |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou verplicht hebben |
| jij | zou verplicht hebben |
| hij | zou verplicht hebben |
| wij | zouden verplicht hebben |
| jullie | zouden verplicht hebben |
| zij | zouden verplicht hebben |
| jij | verplicht |