urineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of urineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: urineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: urinerend
Past participle - Verleden deelwoord: geürineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikurineer
jijurineert
hijurineert
wijurineren
jullieurineren
zijurineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geürineerd
jijhebt geürineerd
hijheeft geürineerd
wijhebben geürineerd
julliehebben geürineerd
zijhebben geürineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikurineerde
jijurineerde
hijurineerde
wijurineerden
jullieurineerden
zijurineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geürineerd
jijhad geürineerd
hijhad geürineerd
wijhadden geürineerd
julliehadden geürineerd
zijhadden geürineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal urineren
jijzult urineren
hijzal urineren
wijzullen urineren
julliezullen urineren
zijzullen urineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geürineerd hebben
jijzult geürineerd hebben
hijzal geürineerd hebben
wijzullen geürineerd hebben
julliezullen geürineerd hebben
zijzullen geürineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou urineren
jijzou urineren
hijzou urineren
wijzouden urineren
julliezouden urineren
zijzouden urineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geürineerd hebben
jijzou geürineerd hebben
hijzou geürineerd hebben
wijzouden geürineerd hebben
julliezouden geürineerd hebben
zijzouden geürineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijurineer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "urineren"

Afrikaans urineer.

Additional Information