typeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of typeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: typeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: typerend
Past participle - Verleden deelwoord: getypeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktypeer
jijtypeert
hijtypeert
wijtyperen
jullietyperen
zijtyperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getypeerd
jijhebt getypeerd
hijheeft getypeerd
wijhebben getypeerd
julliehebben getypeerd
zijhebben getypeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktypeerde
jijtypeerde
hijtypeerde
wijtypeerden
jullietypeerden
zijtypeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getypeerd
jijhad getypeerd
hijhad getypeerd
wijhadden getypeerd
julliehadden getypeerd
zijhadden getypeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal typeren
jijzult typeren
hijzal typeren
wijzullen typeren
julliezullen typeren
zijzullen typeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getypeerd hebben
jijzult getypeerd hebben
hijzal getypeerd hebben
wijzullen getypeerd hebben
julliezullen getypeerd hebben
zijzullen getypeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou typeren
jijzou typeren
hijzou typeren
wijzouden typeren
julliezouden typeren
zijzouden typeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getypeerd hebben
jijzou getypeerd hebben
hijzou getypeerd hebben
wijzouden getypeerd hebben
julliezouden getypeerd hebben
zijzouden getypeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtypeer

Translations

  • typify, science: to serve as a typical specimen
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information