Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: tuimelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tuimelend
Past participle - Verleden deelwoord: getuimeld
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | tuimel |
| jij | tuimelt |
| hij | tuimelt |
| wij | tuimelen |
| jullie | tuimelen |
| zij | tuimelen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb getuimeld |
| jij | hebt getuimeld |
| hij | heeft getuimeld |
| wij | hebben getuimeld |
| jullie | hebben getuimeld |
| zij | hebben getuimeld |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | tuimelde |
| jij | tuimelde |
| hij | tuimelde |
| wij | tuimelden |
| jullie | tuimelden |
| zij | tuimelden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had getuimeld |
| jij | had getuimeld |
| hij | had getuimeld |
| wij | hadden getuimeld |
| jullie | hadden getuimeld |
| zij | hadden getuimeld |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal tuimelen |
| jij | zult tuimelen |
| hij | zal tuimelen |
| wij | zullen tuimelen |
| jullie | zullen tuimelen |
| zij | zullen tuimelen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal getuimeld hebben |
| jij | zult getuimeld hebben |
| hij | zal getuimeld hebben |
| wij | zullen getuimeld hebben |
| jullie | zullen getuimeld hebben |
| zij | zullen getuimeld hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou tuimelen |
| jij | zou tuimelen |
| hij | zou tuimelen |
| wij | zouden tuimelen |
| jullie | zouden tuimelen |
| zij | zouden tuimelen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou getuimeld hebben |
| jij | zou getuimeld hebben |
| hij | zou getuimeld hebben |
| wij | zouden getuimeld hebben |
| jullie | zouden getuimeld hebben |
| zij | zouden getuimeld hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'tuimelen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'tuimelen'
duimelen,
aftuimelen,
buitelen,
duikelen,
duivelen,
duizelen,
kruimelen,
luimeren,
lummelen,
mummelen,
Translations
plummet, to drop swiftly, in a direct manner; to fall quickly
tumble, to fall end over end
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
[...] mij dadelijk, en ongeveer veertig schreden vooruitgaande, om te digter bij hen te zijn, gaf hij vuur op hen, en ik meende, dat hij hen allen gedood had; want ik zag ze allen over elkander in de boot tuimelen, doch twee hunner stonden spoedig weder op. Hij had echter twee er van gedood en den derde gekwetst, zoodat deze als dood op den bodem van de kanoe lag.
(Robinson Crusoe)
-
[...] de beer stond zoo uit het veld geslagen, dat wij ons lagchen niet konden bedwingen, schoon ik nog niet begrijpen kon, wat hij doen wilde. Eerst dachten wij, dat hij den beer uit den boom zou laten tuimelen, maar daar was de beer te slim toe, want hij kwam niet ver genoeg, en hield zich met zijne breede klaauwen zoo stevig vast, dat wij niet begrepen, hoe het af zou loopen. Eindelijk maakte Vrijdag er [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch tumelen, a frequentative derived from tumen, from Old Dutch *tūmon, from Proto-Germanic *tūmōną (“to turn, rotate”). See: Old Dutch '*tūmon', Proto-Germanic '
*tūmōną'.
Verbs referencing "tuimelen"
English
tumble, German, old spelling
taumeln.
Additional Information