treuzelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of treuzelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: treuzelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: treuzelend
Past participle - Verleden deelwoord: getreuzeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktreuzel
jijtreuzelt
hijtreuzelt
wijtreuzelen
jullietreuzelen
zijtreuzelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getreuzeld
jijhebt getreuzeld
hijheeft getreuzeld
wijhebben getreuzeld
julliehebben getreuzeld
zijhebben getreuzeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktreuzelde
jijtreuzelde
hijtreuzelde
wijtreuzelden
jullietreuzelden
zijtreuzelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getreuzeld
jijhad getreuzeld
hijhad getreuzeld
wijhadden getreuzeld
julliehadden getreuzeld
zijhadden getreuzeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal treuzelen
jijzult treuzelen
hijzal treuzelen
wijzullen treuzelen
julliezullen treuzelen
zijzullen treuzelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getreuzeld hebben
jijzult getreuzeld hebben
hijzal getreuzeld hebben
wijzullen getreuzeld hebben
julliezullen getreuzeld hebben
zijzullen getreuzeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou treuzelen
jijzou treuzelen
hijzou treuzelen
wijzouden treuzelen
julliezouden treuzelen
zijzouden treuzelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getreuzeld hebben
jijzou getreuzeld hebben
hijzou getreuzeld hebben
wijzouden getreuzeld hebben
julliezouden getreuzeld hebben
zijzouden getreuzeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtreuzel

Translations

  • sag, to loiter in walking
  • slack, to procrastinate
  • lollygag, dawdle; to avoid work
  • linger, to stay or remain in a place or situation
  • tarry, to delay or be tardy
  • pussyfoot, to act timidly
  • dither, to be uncertain unable to make a decision
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Possibly from Low German trüseln. Related to Low German Drüsler (“idiot”) and English drowse. From the same root as treuren (“grieve”) and druisen (“continuously make noise”). See: Low Saxon 'trüseln'.

    Verbs referencing "treuzelen"

    German, old spelling aufdröseln.

    Additional Information