torderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of torderen

The word "torderen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: torderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: torderend
Past participle - Verleden deelwoord: getordeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktordeer
jijtordeert
hijtordeert
wijtorderen
jullietorderen
zijtorderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getordeerd
jijhebt getordeerd
hijheeft getordeerd
wijhebben getordeerd
julliehebben getordeerd
zijhebben getordeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktordeerde
jijtordeerde
hijtordeerde
wijtordeerden
jullietordeerden
zijtordeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getordeerd
jijhad getordeerd
hijhad getordeerd
wijhadden getordeerd
julliehadden getordeerd
zijhadden getordeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal torderen
jijzult torderen
hijzal torderen
wijzullen torderen
julliezullen torderen
zijzullen torderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getordeerd hebben
jijzult getordeerd hebben
hijzal getordeerd hebben
wijzullen getordeerd hebben
julliezullen getordeerd hebben
zijzullen getordeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou torderen
jijzou torderen
hijzou torderen
wijzouden torderen
julliezouden torderen
zijzouden torderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getordeerd hebben
jijzou getordeerd hebben
hijzou getordeerd hebben
wijzouden getordeerd hebben
julliezouden getordeerd hebben
zijzouden getordeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtordeer

Verbs similar to 'torderen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French tordre with the verbal suffix -eren. See: French 'tordre'.

Additional Information