thematiseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of thematiseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: thematiseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: thematiserend
Past participle - Verleden deelwoord: gethematiseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikthematiseer
jijthematiseert
hijthematiseert
wijthematiseren
julliethematiseren
zijthematiseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gethematiseerd
jijhebt gethematiseerd
hijheeft gethematiseerd
wijhebben gethematiseerd
julliehebben gethematiseerd
zijhebben gethematiseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikthematiseerde
jijthematiseerde
hijthematiseerde
wijthematiseerden
julliethematiseerden
zijthematiseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gethematiseerd
jijhad gethematiseerd
hijhad gethematiseerd
wijhadden gethematiseerd
julliehadden gethematiseerd
zijhadden gethematiseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal thematiseren
jijzult thematiseren
hijzal thematiseren
wijzullen thematiseren
julliezullen thematiseren
zijzullen thematiseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gethematiseerd hebben
jijzult gethematiseerd hebben
hijzal gethematiseerd hebben
wijzullen gethematiseerd hebben
julliezullen gethematiseerd hebben
zijzullen gethematiseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou thematiseren
jijzou thematiseren
hijzou thematiseren
wijzouden thematiseren
julliezouden thematiseren
zijzouden thematiseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gethematiseerd hebben
jijzou gethematiseerd hebben
hijzou gethematiseerd hebben
wijzouden gethematiseerd hebben
julliezouden gethematiseerd hebben
zijzouden gethematiseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijthematiseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information