stokken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stokken

The word "stokken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stokken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stokkend
Past participle - Verleden deelwoord: gestokt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstok
jijstokt
hijstokt
wijstokken
julliestokken
zijstokken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestokt
jijhebt gestokt
hijheeft gestokt
wijhebben gestokt
julliehebben gestokt
zijhebben gestokt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstokte
jijstokte
hijstokte
wijstokten
julliestokten
zijstokten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestokt
jijhad gestokt
hijhad gestokt
wijhadden gestokt
julliehadden gestokt
zijhadden gestokt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stokken
jijzult stokken
hijzal stokken
wijzullen stokken
julliezullen stokken
zijzullen stokken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestokt hebben
jijzult gestokt hebben
hijzal gestokt hebben
wijzullen gestokt hebben
julliezullen gestokt hebben
zijzullen gestokt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stokken
jijzou stokken
hijzou stokken
wijzouden stokken
julliezouden stokken
zijzouden stokken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestokt hebben
jijzou gestokt hebben
hijzou gestokt hebben
wijzouden gestokt hebben
julliezouden gestokt hebben
zijzouden gestokt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstok

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Proto-Germanic *stukkōną (“to stop, stick”).

Additional Information