sjokken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sjokken

The word "sjokken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sjokken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sjokkend
Past participle - Verleden deelwoord: gesjokt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksjok
jijsjokt
hijsjokt
wijsjokken
julliesjokken
zijsjokken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesjokt
jijhebt gesjokt
hijheeft gesjokt
wijhebben gesjokt
julliehebben gesjokt
zijhebben gesjokt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksjokte
jijsjokte
hijsjokte
wijsjokten
julliesjokten
zijsjokten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesjokt
jijhad gesjokt
hijhad gesjokt
wijhadden gesjokt
julliehadden gesjokt
zijhadden gesjokt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sjokken
jijzult sjokken
hijzal sjokken
wijzullen sjokken
julliezullen sjokken
zijzullen sjokken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesjokt hebben
jijzult gesjokt hebben
hijzal gesjokt hebben
wijzullen gesjokt hebben
julliezullen gesjokt hebben
zijzullen gesjokt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sjokken
jijzou sjokken
hijzou sjokken
wijzouden sjokken
julliezouden sjokken
zijzouden sjokken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesjokt hebben
jijzou gesjokt hebben
hijzou gesjokt hebben
wijzouden gesjokt hebben
julliezouden gesjokt hebben
zijzouden gesjokt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsjok

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information