sijpelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sijpelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sijpelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sijpelend
Past participle - Verleden deelwoord: gesijpeld

Cognates

See the 2 cognates of sijpelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksijpel
jijsijpelt
hijsijpelt
wijsijpelen
julliesijpelen
zijsijpelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesijpeld
jijhebt gesijpeld
hijheeft gesijpeld
wijhebben gesijpeld
julliehebben gesijpeld
zijhebben gesijpeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksijpelde
jijsijpelde
hijsijpelde
wijsijpelden
julliesijpelden
zijsijpelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesijpeld
jijhad gesijpeld
hijhad gesijpeld
wijhadden gesijpeld
julliehadden gesijpeld
zijhadden gesijpeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sijpelen
jijzult sijpelen
hijzal sijpelen
wijzullen sijpelen
julliezullen sijpelen
zijzullen sijpelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesijpeld hebben
jijzult gesijpeld hebben
hijzal gesijpeld hebben
wijzullen gesijpeld hebben
julliezullen gesijpeld hebben
zijzullen gesijpeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sijpelen
jijzou sijpelen
hijzou sijpelen
wijzouden sijpelen
julliezouden sijpelen
zijzouden sijpelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesijpeld hebben
jijzou gesijpeld hebben
hijzou gesijpeld hebben
wijzouden gesijpeld hebben
julliezouden gesijpeld hebben
zijzouden gesijpeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsijpel

Translations

  • distil, to trickle down in small drops
  • filter, to pass through a filter or to act as though passing through a filter
  • filter, to come or go a few at a time
  • ooze, to secrete or slowly leak
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    A frequentative with suffix -elen of early modern sijpen (“to drip”), from Proto-West Germanic *sīpan, from Middle Dutch sīpen, from Proto-Germanic *sīpaną (compare English seep), from Proto-Indo-European *seib, *sib- (“to pour out, drip, trickle”) (compare Latin sēbum (“suet, tallow”), Ancient Greek εἴβω (eíbō, “to drop, drip”)). See: Proto-Germanic '*sīpaną', English 'seep'.

    Verbs referencing "sijpelen"

    German, old spelling suppen.

    Additional Information