seponeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of seponeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: seponeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: seponerend
Past participle - Verleden deelwoord: geseponeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikseponeer
jijseponeert
hijseponeert
wijseponeren
jullieseponeren
zijseponeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geseponeerd
jijhebt geseponeerd
hijheeft geseponeerd
wijhebben geseponeerd
julliehebben geseponeerd
zijhebben geseponeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikseponeerde
jijseponeerde
hijseponeerde
wijseponeerden
jullieseponeerden
zijseponeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geseponeerd
jijhad geseponeerd
hijhad geseponeerd
wijhadden geseponeerd
julliehadden geseponeerd
zijhadden geseponeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal seponeren
jijzult seponeren
hijzal seponeren
wijzullen seponeren
julliezullen seponeren
zijzullen seponeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geseponeerd hebben
jijzult geseponeerd hebben
hijzal geseponeerd hebben
wijzullen geseponeerd hebben
julliezullen geseponeerd hebben
zijzullen geseponeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou seponeren
jijzou seponeren
hijzou seponeren
wijzouden seponeren
julliezouden seponeren
zijzouden seponeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geseponeerd hebben
jijzou geseponeerd hebben
hijzou geseponeerd hebben
wijzouden geseponeerd hebben
julliezouden geseponeerd hebben
zijzouden geseponeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijseponeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Ultimately from Latin sēpōnere.

Additional Information