schipperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of schipperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: schipperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schipperend
Past participle - Verleden deelwoord: geschipperd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschipper
jijschippert
hijschippert
wijschipperen
jullieschipperen
zijschipperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geschipperd
jijhebt geschipperd
hijheeft geschipperd
wijhebben geschipperd
julliehebben geschipperd
zijhebben geschipperd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschipperde
jijschipperde
hijschipperde
wijschipperden
jullieschipperden
zijschipperden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geschipperd
jijhad geschipperd
hijhad geschipperd
wijhadden geschipperd
julliehadden geschipperd
zijhadden geschipperd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal schipperen
jijzult schipperen
hijzal schipperen
wijzullen schipperen
julliezullen schipperen
zijzullen schipperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geschipperd hebben
jijzult geschipperd hebben
hijzal geschipperd hebben
wijzullen geschipperd hebben
julliezullen geschipperd hebben
zijzullen geschipperd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou schipperen
jijzou schipperen
hijzou schipperen
wijzouden schipperen
julliezouden schipperen
zijzouden schipperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geschipperd hebben
jijzou geschipperd hebben
hijzou geschipperd hebben
wijzouden geschipperd hebben
julliezouden geschipperd hebben
zijzouden geschipperd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschipper

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "schipperen"

German, old spelling schippern.

Additional Information