saneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of saneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: saneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sanerend
Past participle - Verleden deelwoord: gesaneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksaneer
jijsaneert
hijsaneert
wijsaneren
julliesaneren
zijsaneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesaneerd
jijhebt gesaneerd
hijheeft gesaneerd
wijhebben gesaneerd
julliehebben gesaneerd
zijhebben gesaneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksaneerde
jijsaneerde
hijsaneerde
wijsaneerden
julliesaneerden
zijsaneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesaneerd
jijhad gesaneerd
hijhad gesaneerd
wijhadden gesaneerd
julliehadden gesaneerd
zijhadden gesaneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal saneren
jijzult saneren
hijzal saneren
wijzullen saneren
julliezullen saneren
zijzullen saneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesaneerd hebben
jijzult gesaneerd hebben
hijzal gesaneerd hebben
wijzullen gesaneerd hebben
julliezullen gesaneerd hebben
zijzullen gesaneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou saneren
jijzou saneren
hijzou saneren
wijzouden saneren
julliezouden saneren
zijzouden saneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesaneerd hebben
jijzou gesaneerd hebben
hijzou gesaneerd hebben
wijzouden gesaneerd hebben
julliezouden gesaneerd hebben
zijzouden gesaneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsaneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

opruimen
opschonen, zuiveren

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Middle French saner (or directly from its etymon Latin sānāre) in its original sense of "to heal", but its current senses derive rather from German sanieren. See: Latin 'sānō', German, old spelling 'sanieren'.

Additional Information