rondwentelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of rondwentelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: rondwentelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: rondwentelend
Past participle - Verleden deelwoord: rondgewenteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwentel rond
jijwentelt rond
hijwentelt rond
wijwentelen rond
julliewentelen rond
zijwentelen rond

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb rondgewenteld
jijhebt rondgewenteld
hijheeft rondgewenteld
wijhebben rondgewenteld
julliehebben rondgewenteld
zijhebben rondgewenteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwentelde rond
jijwentelde rond
hijwentelde rond
wijwentelden rond
julliewentelden rond
zijwentelden rond

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad rondgewenteld
jijhad rondgewenteld
hijhad rondgewenteld
wijhadden rondgewenteld
julliehadden rondgewenteld
zijhadden rondgewenteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal rondwentelen
jijzult rondwentelen
hijzal rondwentelen
wijzullen rondwentelen
julliezullen rondwentelen
zijzullen rondwentelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal rondgewenteld hebben
jijzult rondgewenteld hebben
hijzal rondgewenteld hebben
wijzullen rondgewenteld hebben
julliezullen rondgewenteld hebben
zijzullen rondgewenteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou rondwentelen
jijzou rondwentelen
hijzou rondwentelen
wijzouden rondwentelen
julliezouden rondwentelen
zijzouden rondwentelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou rondgewenteld hebben
jijzou rondgewenteld hebben
hijzou rondgewenteld hebben
wijzouden rondgewenteld hebben
julliezouden rondgewenteld hebben
zijzouden rondgewenteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwentel rond

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information