regisseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of regisseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: regisseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: regisserend
Past participle - Verleden deelwoord: geregisseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikregisseer
jijregisseert
hijregisseert
wijregisseren
jullieregisseren
zijregisseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geregisseerd
jijhebt geregisseerd
hijheeft geregisseerd
wijhebben geregisseerd
julliehebben geregisseerd
zijhebben geregisseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikregisseerde
jijregisseerde
hijregisseerde
wijregisseerden
jullieregisseerden
zijregisseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geregisseerd
jijhad geregisseerd
hijhad geregisseerd
wijhadden geregisseerd
julliehadden geregisseerd
zijhadden geregisseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal regisseren
jijzult regisseren
hijzal regisseren
wijzullen regisseren
julliezullen regisseren
zijzullen regisseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geregisseerd hebben
jijzult geregisseerd hebben
hijzal geregisseerd hebben
wijzullen geregisseerd hebben
julliezullen geregisseerd hebben
zijzullen geregisseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou regisseren
jijzou regisseren
hijzou regisseren
wijzouden regisseren
julliezouden regisseren
zijzouden regisseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geregisseerd hebben
jijzou geregisseerd hebben
hijzou geregisseerd hebben
wijzouden geregisseerd hebben
julliezouden geregisseerd hebben
zijzouden geregisseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijregisseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information