reageren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of reageren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: reageren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: reagerend
Past participle - Verleden deelwoord: gereageerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikreageer
jijreageert
hijreageert
wijreageren
julliereageren
zijreageren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gereageerd
jijhebt gereageerd
hijheeft gereageerd
wijhebben gereageerd
julliehebben gereageerd
zijhebben gereageerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikreageerde
jijreageerde
hijreageerde
wijreageerden
julliereageerden
zijreageerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gereageerd
jijhad gereageerd
hijhad gereageerd
wijhadden gereageerd
julliehadden gereageerd
zijhadden gereageerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal reageren
jijzult reageren
hijzal reageren
wijzullen reageren
julliezullen reageren
zijzullen reageren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gereageerd hebben
jijzult gereageerd hebben
hijzal gereageerd hebben
wijzullen gereageerd hebben
julliezullen gereageerd hebben
zijzullen gereageerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou reageren
jijzou reageren
hijzou reageren
wijzouden reageren
julliezouden reageren
zijzouden reageren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gereageerd hebben
jijzou gereageerd hebben
hijzou gereageerd hebben
wijzouden gereageerd hebben
julliezouden gereageerd hebben
zijzouden gereageerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijreageer

Translations

  • act, to respond to information
  • react, to act upon each other
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From German reagieren. By surface analysis, re- + ageren. See: German, old spelling 'reagieren'.

    Additional Information