raisonneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of raisonneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: raisonneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: raisonnerend
Past participle - Verleden deelwoord: geraisonneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikraisonneer
jijraisonneert
hijraisonneert
wijraisonneren
jullieraisonneren
zijraisonneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geraisonneerd
jijhebt geraisonneerd
hijheeft geraisonneerd
wijhebben geraisonneerd
julliehebben geraisonneerd
zijhebben geraisonneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikraisonneerde
jijraisonneerde
hijraisonneerde
wijraisonneerden
jullieraisonneerden
zijraisonneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geraisonneerd
jijhad geraisonneerd
hijhad geraisonneerd
wijhadden geraisonneerd
julliehadden geraisonneerd
zijhadden geraisonneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal raisonneren
jijzult raisonneren
hijzal raisonneren
wijzullen raisonneren
julliezullen raisonneren
zijzullen raisonneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geraisonneerd hebben
jijzult geraisonneerd hebben
hijzal geraisonneerd hebben
wijzullen geraisonneerd hebben
julliezullen geraisonneerd hebben
zijzullen geraisonneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou raisonneren
jijzou raisonneren
hijzou raisonneren
wijzouden raisonneren
julliezouden raisonneren
zijzouden raisonneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geraisonneerd hebben
jijzou geraisonneerd hebben
hijzou geraisonneerd hebben
wijzouden geraisonneerd hebben
julliezouden geraisonneerd hebben
zijzouden geraisonneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijraisonneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information