proclameren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of proclameren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: proclameren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: proclamerend
Past participle - Verleden deelwoord: geproclameerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikproclameer
jijproclameert
hijproclameert
wijproclameren
jullieproclameren
zijproclameren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geproclameerd
jijhebt geproclameerd
hijheeft geproclameerd
wijhebben geproclameerd
julliehebben geproclameerd
zijhebben geproclameerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikproclameerde
jijproclameerde
hijproclameerde
wijproclameerden
jullieproclameerden
zijproclameerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geproclameerd
jijhad geproclameerd
hijhad geproclameerd
wijhadden geproclameerd
julliehadden geproclameerd
zijhadden geproclameerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal proclameren
jijzult proclameren
hijzal proclameren
wijzullen proclameren
julliezullen proclameren
zijzullen proclameren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geproclameerd hebben
jijzult geproclameerd hebben
hijzal geproclameerd hebben
wijzullen geproclameerd hebben
julliezullen geproclameerd hebben
zijzullen geproclameerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou proclameren
jijzou proclameren
hijzou proclameren
wijzouden proclameren
julliezouden proclameren
zijzouden proclameren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geproclameerd hebben
jijzou geproclameerd hebben
hijzou geproclameerd hebben
wijzouden geproclameerd hebben
julliezouden geproclameerd hebben
zijzouden geproclameerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijproclameer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

afkondigen
bekendmaken, uitroepen

Sample Sentences

Etymology

Additional Information