prikken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of prikken

The word "prikken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: prikken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: prikkend
Past participle - Verleden deelwoord: geprikt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikprik
jijprikt
hijprikt
wijprikken
jullieprikken
zijprikken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geprikt
jijhebt geprikt
hijheeft geprikt
wijhebben geprikt
julliehebben geprikt
zijhebben geprikt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikprikte
jijprikte
hijprikte
wijprikten
jullieprikten
zijprikten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geprikt
jijhad geprikt
hijhad geprikt
wijhadden geprikt
julliehadden geprikt
zijhadden geprikt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal prikken
jijzult prikken
hijzal prikken
wijzullen prikken
julliezullen prikken
zijzullen prikken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geprikt hebben
jijzult geprikt hebben
hijzal geprikt hebben
wijzullen geprikt hebben
julliezullen geprikt hebben
zijzullen geprikt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou prikken
jijzou prikken
hijzou prikken
wijzouden prikken
julliezouden prikken
zijzouden prikken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geprikt hebben
jijzou geprikt hebben
hijzou geprikt hebben
wijzouden geprikt hebben
julliezouden geprikt hebben
zijzouden geprikt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijprik

Translations

  • fork, to move with fork
  • nettle, of the nettle plant etc., to sting causing a rash
  • pierce, pierce
  • prick, pierce
  • smart, to hurt or sting
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From prik + -en.

    Verbs referencing "prikken"

    English prick.

    Additional Information