prevaleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of prevaleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: prevaleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: prevalerend
Past participle - Verleden deelwoord: geprevaleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikprevaleer
jijprevaleert
hijprevaleert
wijprevaleren
jullieprevaleren
zijprevaleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geprevaleerd
jijhebt geprevaleerd
hijheeft geprevaleerd
wijhebben geprevaleerd
julliehebben geprevaleerd
zijhebben geprevaleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikprevaleerde
jijprevaleerde
hijprevaleerde
wijprevaleerden
jullieprevaleerden
zijprevaleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geprevaleerd
jijhad geprevaleerd
hijhad geprevaleerd
wijhadden geprevaleerd
julliehadden geprevaleerd
zijhadden geprevaleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal prevaleren
jijzult prevaleren
hijzal prevaleren
wijzullen prevaleren
julliezullen prevaleren
zijzullen prevaleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geprevaleerd hebben
jijzult geprevaleerd hebben
hijzal geprevaleerd hebben
wijzullen geprevaleerd hebben
julliezullen geprevaleerd hebben
zijzullen geprevaleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou prevaleren
jijzou prevaleren
hijzou prevaleren
wijzouden prevaleren
julliezouden prevaleren
zijzouden prevaleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geprevaleerd hebben
jijzou geprevaleerd hebben
hijzou geprevaleerd hebben
wijzouden geprevaleerd hebben
julliezouden geprevaleerd hebben
zijzouden geprevaleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijprevaleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information