presseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of presseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: presseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: presserend
Past participle - Verleden deelwoord: gepresseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpresseer
jijpresseert
hijpresseert
wijpresseren
julliepresseren
zijpresseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepresseerd
jijhebt gepresseerd
hijheeft gepresseerd
wijhebben gepresseerd
julliehebben gepresseerd
zijhebben gepresseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpresseerde
jijpresseerde
hijpresseerde
wijpresseerden
julliepresseerden
zijpresseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepresseerd
jijhad gepresseerd
hijhad gepresseerd
wijhadden gepresseerd
julliehadden gepresseerd
zijhadden gepresseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal presseren
jijzult presseren
hijzal presseren
wijzullen presseren
julliezullen presseren
zijzullen presseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepresseerd hebben
jijzult gepresseerd hebben
hijzal gepresseerd hebben
wijzullen gepresseerd hebben
julliezullen gepresseerd hebben
zijzullen gepresseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou presseren
jijzou presseren
hijzou presseren
wijzouden presseren
julliezouden presseren
zijzouden presseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepresseerd hebben
jijzou gepresseerd hebben
hijzou gepresseerd hebben
wijzouden gepresseerd hebben
julliezouden gepresseerd hebben
zijzouden gepresseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpresseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information