ploffen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ploffen

The word "ploffen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ploffen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ploffend
Past participle - Verleden deelwoord: geploft

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikplof
jijploft
hijploft
wijploffen
jullieploffen
zijploffen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geploft
jijhebt geploft
hijheeft geploft
wijhebben geploft
julliehebben geploft
zijhebben geploft

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikplofte
jijplofte
hijplofte
wijploften
jullieploften
zijploften

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geploft
jijhad geploft
hijhad geploft
wijhadden geploft
julliehadden geploft
zijhadden geploft

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ploffen
jijzult ploffen
hijzal ploffen
wijzullen ploffen
julliezullen ploffen
zijzullen ploffen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geploft hebben
jijzult geploft hebben
hijzal geploft hebben
wijzullen geploft hebben
julliezullen geploft hebben
zijzullen geploft hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ploffen
jijzou ploffen
hijzou ploffen
wijzouden ploffen
julliezouden ploffen
zijzouden ploffen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geploft hebben
jijzou geploft hebben
hijzou geploft hebben
wijzouden geploft hebben
julliezouden geploft hebben
zijzouden geploft hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijplof

Translations

  • squib, make a sound such as a small explosion
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From plof + -en.

    Additional Information