paralyseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of paralyseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: paralyseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: paralyserend
Past participle - Verleden deelwoord: geparalyseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikparalyseer
jijparalyseert
hijparalyseert
wijparalyseren
jullieparalyseren
zijparalyseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geparalyseerd
jijhebt geparalyseerd
hijheeft geparalyseerd
wijhebben geparalyseerd
julliehebben geparalyseerd
zijhebben geparalyseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikparalyseerde
jijparalyseerde
hijparalyseerde
wijparalyseerden
jullieparalyseerden
zijparalyseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geparalyseerd
jijhad geparalyseerd
hijhad geparalyseerd
wijhadden geparalyseerd
julliehadden geparalyseerd
zijhadden geparalyseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal paralyseren
jijzult paralyseren
hijzal paralyseren
wijzullen paralyseren
julliezullen paralyseren
zijzullen paralyseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geparalyseerd hebben
jijzult geparalyseerd hebben
hijzal geparalyseerd hebben
wijzullen geparalyseerd hebben
julliezullen geparalyseerd hebben
zijzullen geparalyseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou paralyseren
jijzou paralyseren
hijzou paralyseren
wijzouden paralyseren
julliezouden paralyseren
zijzouden paralyseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geparalyseerd hebben
jijzou geparalyseerd hebben
hijzou geparalyseerd hebben
wijzouden geparalyseerd hebben
julliezouden geparalyseerd hebben
zijzouden geparalyseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijparalyseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information