oreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of oreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: oreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: orerend
Past participle - Verleden deelwoord: georeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikoreer
jijoreert
hijoreert
wijoreren
jullieoreren
zijoreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb georeerd
jijhebt georeerd
hijheeft georeerd
wijhebben georeerd
julliehebben georeerd
zijhebben georeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikoreerde
jijoreerde
hijoreerde
wijoreerden
jullieoreerden
zijoreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad georeerd
jijhad georeerd
hijhad georeerd
wijhadden georeerd
julliehadden georeerd
zijhadden georeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal oreren
jijzult oreren
hijzal oreren
wijzullen oreren
julliezullen oreren
zijzullen oreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal georeerd hebben
jijzult georeerd hebben
hijzal georeerd hebben
wijzullen georeerd hebben
julliezullen georeerd hebben
zijzullen georeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou oreren
jijzou oreren
hijzou oreren
wijzouden oreren
julliezouden oreren
zijzouden oreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou georeerd hebben
jijzou georeerd hebben
hijzou georeerd hebben
wijzouden georeerd hebben
julliezouden georeerd hebben
zijzouden georeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijoreer

Translations

  • bloviate, to speak or discourse at length in a pompous or boastful manner
  • rant, to criticise by ranting
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information