optellen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of optellen

The word "optellen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: optellen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: optellend
Past participle - Verleden deelwoord: opgeteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktel op
jijtelt op
hijtelt op
wijtellen op
jullietellen op
zijtellen op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgeteld
jijhebt opgeteld
hijheeft opgeteld
wijhebben opgeteld
julliehebben opgeteld
zijhebben opgeteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktelde op
jijtelde op
hijtelde op
wijtelden op
jullietelden op
zijtelden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgeteld
jijhad opgeteld
hijhad opgeteld
wijhadden opgeteld
julliehadden opgeteld
zijhadden opgeteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal optellen
jijzult optellen
hijzal optellen
wijzullen optellen
julliezullen optellen
zijzullen optellen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgeteld hebben
jijzult opgeteld hebben
hijzal opgeteld hebben
wijzullen opgeteld hebben
julliezullen opgeteld hebben
zijzullen opgeteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou optellen
jijzou optellen
hijzou optellen
wijzouden optellen
julliezouden optellen
zijzouden optellen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgeteld hebben
jijzou opgeteld hebben
hijzou opgeteld hebben
wijzouden opgeteld hebben
julliezouden opgeteld hebben
zijzouden opgeteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtel op

Verbs similar to 'optellen'

Translations

  • add, to perform the arithmetical operation of addition, to add up
  • sum, to add together
  • total, to add up
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From op (“up”) + tellen (“count”).

    Additional Information