opstapelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opstapelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opstapelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opstapelend
Past participle - Verleden deelwoord: opgestapeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstapel op
jijstapelt op
hijstapelt op
wijstapelen op
julliestapelen op
zijstapelen op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgestapeld
jijhebt opgestapeld
hijheeft opgestapeld
wijhebben opgestapeld
julliehebben opgestapeld
zijhebben opgestapeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstapelde op
jijstapelde op
hijstapelde op
wijstapelden op
julliestapelden op
zijstapelden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgestapeld
jijhad opgestapeld
hijhad opgestapeld
wijhadden opgestapeld
julliehadden opgestapeld
zijhadden opgestapeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opstapelen
jijzult opstapelen
hijzal opstapelen
wijzullen opstapelen
julliezullen opstapelen
zijzullen opstapelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgestapeld hebben
jijzult opgestapeld hebben
hijzal opgestapeld hebben
wijzullen opgestapeld hebben
julliezullen opgestapeld hebben
zijzullen opgestapeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opstapelen
jijzou opstapelen
hijzou opstapelen
wijzouden opstapelen
julliezouden opstapelen
zijzouden opstapelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgestapeld hebben
jijzou opgestapeld hebben
hijzou opgestapeld hebben
wijzouden opgestapeld hebben
julliezouden opgestapeld hebben
zijzouden opgestapeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstapel op

Translations

  • accumulate, to pile up
  • stack, To place objects or material in the form of a stack
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From op + stapelen.

    Additional Information