opperen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opperen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opperen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opperend
Past participle - Verleden deelwoord: geopperd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikopper
jijoppert
hijoppert
wijopperen
jullieopperen
zijopperen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geopperd
jijhebt geopperd
hijheeft geopperd
wijhebben geopperd
julliehebben geopperd
zijhebben geopperd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikopperde
jijopperde
hijopperde
wijopperden
jullieopperden
zijopperden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geopperd
jijhad geopperd
hijhad geopperd
wijhadden geopperd
julliehadden geopperd
zijhadden geopperd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opperen
jijzult opperen
hijzal opperen
wijzullen opperen
julliezullen opperen
zijzullen opperen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geopperd hebben
jijzult geopperd hebben
hijzal geopperd hebben
wijzullen geopperd hebben
julliezullen geopperd hebben
zijzullen geopperd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opperen
jijzou opperen
hijzou opperen
wijzouden opperen
julliezouden opperen
zijzouden opperen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geopperd hebben
jijzou geopperd hebben
hijzou geopperd hebben
wijzouden geopperd hebben
julliezouden geopperd hebben
zijzouden geopperd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijopper

Translations

  • cock, to form into small piles
  • coin, to make up or invent, and establish
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information