ophelderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ophelderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ophelderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ophelderend
Past participle - Verleden deelwoord: opgehelderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhelder op
jijheldert op
hijheldert op
wijhelderen op
julliehelderen op
zijhelderen op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgehelderd
jijhebt opgehelderd
hijheeft opgehelderd
wijhebben opgehelderd
julliehebben opgehelderd
zijhebben opgehelderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhelderde op
jijhelderde op
hijhelderde op
wijhelderden op
julliehelderden op
zijhelderden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgehelderd
jijhad opgehelderd
hijhad opgehelderd
wijhadden opgehelderd
julliehadden opgehelderd
zijhadden opgehelderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ophelderen
jijzult ophelderen
hijzal ophelderen
wijzullen ophelderen
julliezullen ophelderen
zijzullen ophelderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgehelderd hebben
jijzult opgehelderd hebben
hijzal opgehelderd hebben
wijzullen opgehelderd hebben
julliezullen opgehelderd hebben
zijzullen opgehelderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ophelderen
jijzou ophelderen
hijzou ophelderen
wijzouden ophelderen
julliezouden ophelderen
zijzouden ophelderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgehelderd hebben
jijzou opgehelderd hebben
hijzou opgehelderd hebben
wijzouden opgehelderd hebben
julliezouden opgehelderd hebben
zijzouden opgehelderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhelder op

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • [...] om nog meer te zien, maar kon niets meer vinden. Eindelijk kwam het mij in de gedachten, dat ik den zak, waarin het voedsel voor de kiekens geweest was, daar uitgeschud had, en toen was het wonder opgehelderd, en daarmede, ik moet het bekennen, mijne erkentelijkheid voor Gods goedertierenheid, ten einde. Ik had echter dezelfde reden tot dankbaarheid, alsof het daar door een wonder gekomen was, want het [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

From op + helder + -en.

Additional Information