Infinitive - Onbepaalde wijs: onderliggen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: onderliggend
Past participle - Verleden deelwoord: onderligd
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | onderlig |
| jij | onderligt |
| hij | onderligt |
| wij | onderliggen |
| jullie | onderliggen |
| zij | onderliggen |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb onderligd |
| jij | hebt onderligd |
| hij | heeft onderligd |
| wij | hebben onderligd |
| jullie | hebben onderligd |
| zij | hebben onderligd |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | onderligde |
| jij | onderligde |
| hij | onderligde |
| wij | onderligden |
| jullie | onderligden |
| zij | onderligden |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had onderligd |
| jij | had onderligd |
| hij | had onderligd |
| wij | hadden onderligd |
| jullie | hadden onderligd |
| zij | hadden onderligd |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal onderliggen |
| jij | zult onderliggen |
| hij | zal onderliggen |
| wij | zullen onderliggen |
| jullie | zullen onderliggen |
| zij | zullen onderliggen |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal onderligd hebben |
| jij | zult onderligd hebben |
| hij | zal onderligd hebben |
| wij | zullen onderligd hebben |
| jullie | zullen onderligd hebben |
| zij | zullen onderligd hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou onderliggen |
| jij | zou onderliggen |
| hij | zou onderliggen |
| wij | zouden onderliggen |
| jullie | zouden onderliggen |
| zij | zouden onderliggen |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou onderligd hebben |
| jij | zou onderligd hebben |
| hij | zou onderligd hebben |
| wij | zouden onderligd hebben |
| jullie | zouden onderligd hebben |
| zij | zouden onderligd hebben |
| jij | onderlig |