omvatten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of omvatten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: omvatten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: omvattend
Past participle - Verleden deelwoord: omvat

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikomvat
jijomvat
hijomvat
wijomvatten
jullieomvatten
zijomvatten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb omvat
jijhebt omvat
hijheeft omvat
wijhebben omvat
julliehebben omvat
zijhebben omvat

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikomvatte
jijomvatte
hijomvatte
wijomvatten
jullieomvatten
zijomvatten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad omvat
jijhad omvat
hijhad omvat
wijhadden omvat
julliehadden omvat
zijhadden omvat

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal omvatten
jijzult omvatten
hijzal omvatten
wijzullen omvatten
julliezullen omvatten
zijzullen omvatten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal omvat hebben
jijzult omvat hebben
hijzal omvat hebben
wijzullen omvat hebben
julliezullen omvat hebben
zijzullen omvat hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou omvatten
jijzou omvatten
hijzou omvatten
wijzouden omvatten
julliezouden omvatten
zijzouden omvatten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou omvat hebben
jijzou omvat hebben
hijzou omvat hebben
wijzouden omvat hebben
julliezouden omvat hebben
zijzouden omvat hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijomvat

Translations

  • belt, surround
  • circle, surround
  • compass, surround
  • compose, to comprise
  • comprise, be made up of
  • cradle, to contain in or as if in a cradle
  • encompass, surround
  • envelop, to surround or enclose
  • ring, to surround or enclose
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    behelzen
    bevatten, inhouden

    Sample Sentences

    Etymology

    From om- + vatten.

    Additional Information