nuanceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of nuanceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: nuanceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: nuancerend
Past participle - Verleden deelwoord: genuanceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iknuanceer
jijnuanceert
hijnuanceert
wijnuanceren
jullienuanceren
zijnuanceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb genuanceerd
jijhebt genuanceerd
hijheeft genuanceerd
wijhebben genuanceerd
julliehebben genuanceerd
zijhebben genuanceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iknuanceerde
jijnuanceerde
hijnuanceerde
wijnuanceerden
jullienuanceerden
zijnuanceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad genuanceerd
jijhad genuanceerd
hijhad genuanceerd
wijhadden genuanceerd
julliehadden genuanceerd
zijhadden genuanceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal nuanceren
jijzult nuanceren
hijzal nuanceren
wijzullen nuanceren
julliezullen nuanceren
zijzullen nuanceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal genuanceerd hebben
jijzult genuanceerd hebben
hijzal genuanceerd hebben
wijzullen genuanceerd hebben
julliezullen genuanceerd hebben
zijzullen genuanceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou nuanceren
jijzou nuanceren
hijzou nuanceren
wijzouden nuanceren
julliezouden nuanceren
zijzouden nuanceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou genuanceerd hebben
jijzou genuanceerd hebben
hijzou genuanceerd hebben
wijzouden genuanceerd hebben
julliezouden genuanceerd hebben
zijzouden genuanceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijnuanceer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French nuancer. By surface analysis, nuance + -eren. See: French 'nuancer'.

Additional Information