nippen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of nippen

The word "nippen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: nippen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: nippend
Past participle - Verleden deelwoord: genipt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iknip
jijnipt
hijnipt
wijnippen
jullienippen
zijnippen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb genipt
jijhebt genipt
hijheeft genipt
wijhebben genipt
julliehebben genipt
zijhebben genipt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iknipte
jijnipte
hijnipte
wijnipten
jullienipten
zijnipten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad genipt
jijhad genipt
hijhad genipt
wijhadden genipt
julliehadden genipt
zijhadden genipt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal nippen
jijzult nippen
hijzal nippen
wijzullen nippen
julliezullen nippen
zijzullen nippen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal genipt hebben
jijzult genipt hebben
hijzal genipt hebben
wijzullen genipt hebben
julliezullen genipt hebben
zijzullen genipt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou nippen
jijzou nippen
hijzou nippen
wijzouden nippen
julliezouden nippen
zijzouden nippen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou genipt hebben
jijzou genipt hebben
hijzou genipt hebben
wijzouden genipt hebben
julliezouden genipt hebben
zijzouden genipt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijnip

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

An expressive variant of nijpen (“to pinch”), in the sense of squeezing the lips.

Verbs referencing "nippen"

German, old spelling nippen.

Additional Information