neersabelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of neersabelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: neersabelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: neersabelend
Past participle - Verleden deelwoord: neergesabeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksabel neer
jijsabelt neer
hijsabelt neer
wijsabelen neer
julliesabelen neer
zijsabelen neer

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb neergesabeld
jijhebt neergesabeld
hijheeft neergesabeld
wijhebben neergesabeld
julliehebben neergesabeld
zijhebben neergesabeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksabelde neer
jijsabelde neer
hijsabelde neer
wijsabelden neer
julliesabelden neer
zijsabelden neer

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad neergesabeld
jijhad neergesabeld
hijhad neergesabeld
wijhadden neergesabeld
julliehadden neergesabeld
zijhadden neergesabeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal neersabelen
jijzult neersabelen
hijzal neersabelen
wijzullen neersabelen
julliezullen neersabelen
zijzullen neersabelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal neergesabeld hebben
jijzult neergesabeld hebben
hijzal neergesabeld hebben
wijzullen neergesabeld hebben
julliezullen neergesabeld hebben
zijzullen neergesabeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou neersabelen
jijzou neersabelen
hijzou neersabelen
wijzouden neersabelen
julliezouden neersabelen
zijzouden neersabelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou neergesabeld hebben
jijzou neergesabeld hebben
hijzou neergesabeld hebben
wijzouden neergesabeld hebben
julliezouden neergesabeld hebben
zijzouden neergesabeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsabel neer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From neer + sabelen.

Additional Information