meeregeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of meeregeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: meeregeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: meeregerend
Past participle - Verleden deelwoord: meegeregeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikregeer mee
jijregeert mee
hijregeert mee
wijregeren mee
jullieregeren mee
zijregeren mee

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb meegeregeerd
jijhebt meegeregeerd
hijheeft meegeregeerd
wijhebben meegeregeerd
julliehebben meegeregeerd
zijhebben meegeregeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikregeerde mee
jijregeerde mee
hijregeerde mee
wijregeerden mee
jullieregeerden mee
zijregeerden mee

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad meegeregeerd
jijhad meegeregeerd
hijhad meegeregeerd
wijhadden meegeregeerd
julliehadden meegeregeerd
zijhadden meegeregeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal meeregeren
jijzult meeregeren
hijzal meeregeren
wijzullen meeregeren
julliezullen meeregeren
zijzullen meeregeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal meegeregeerd hebben
jijzult meegeregeerd hebben
hijzal meegeregeerd hebben
wijzullen meegeregeerd hebben
julliezullen meegeregeerd hebben
zijzullen meegeregeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou meeregeren
jijzou meeregeren
hijzou meeregeren
wijzouden meeregeren
julliezouden meeregeren
zijzouden meeregeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou meegeregeerd hebben
jijzou meegeregeerd hebben
hijzou meegeregeerd hebben
wijzouden meegeregeerd hebben
julliezouden meegeregeerd hebben
zijzouden meegeregeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijregeer mee

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information