meerderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of meerderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: meerderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: meerderend
Past participle - Verleden deelwoord: gemeerderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmeerder
jijmeerdert
hijmeerdert
wijmeerderen
julliemeerderen
zijmeerderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemeerderd
jijhebt gemeerderd
hijheeft gemeerderd
wijhebben gemeerderd
julliehebben gemeerderd
zijhebben gemeerderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmeerderde
jijmeerderde
hijmeerderde
wijmeerderden
julliemeerderden
zijmeerderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemeerderd
jijhad gemeerderd
hijhad gemeerderd
wijhadden gemeerderd
julliehadden gemeerderd
zijhadden gemeerderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal meerderen
jijzult meerderen
hijzal meerderen
wijzullen meerderen
julliezullen meerderen
zijzullen meerderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemeerderd hebben
jijzult gemeerderd hebben
hijzal gemeerderd hebben
wijzullen gemeerderd hebben
julliezullen gemeerderd hebben
zijzullen gemeerderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou meerderen
jijzou meerderen
hijzou meerderen
wijzouden meerderen
julliezouden meerderen
zijzouden meerderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemeerderd hebben
jijzou gemeerderd hebben
hijzou gemeerderd hebben
wijzouden gemeerderd hebben
julliezouden gemeerderd hebben
zijzouden gemeerderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmeerder

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From meerder + -en.

Additional Information