maximeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of maximeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: maximeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: maximerend
Past participle - Verleden deelwoord: gemaximeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmaximeer
jijmaximeert
hijmaximeert
wijmaximeren
julliemaximeren
zijmaximeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemaximeerd
jijhebt gemaximeerd
hijheeft gemaximeerd
wijhebben gemaximeerd
julliehebben gemaximeerd
zijhebben gemaximeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmaximeerde
jijmaximeerde
hijmaximeerde
wijmaximeerden
julliemaximeerden
zijmaximeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemaximeerd
jijhad gemaximeerd
hijhad gemaximeerd
wijhadden gemaximeerd
julliehadden gemaximeerd
zijhadden gemaximeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal maximeren
jijzult maximeren
hijzal maximeren
wijzullen maximeren
julliezullen maximeren
zijzullen maximeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemaximeerd hebben
jijzult gemaximeerd hebben
hijzal gemaximeerd hebben
wijzullen gemaximeerd hebben
julliezullen gemaximeerd hebben
zijzullen gemaximeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou maximeren
jijzou maximeren
hijzou maximeren
wijzouden maximeren
julliezouden maximeren
zijzouden maximeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemaximeerd hebben
jijzou gemaximeerd hebben
hijzou gemaximeerd hebben
wijzouden gemaximeerd hebben
julliezouden gemaximeerd hebben
zijzouden gemaximeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmaximeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information