masturberen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of masturberen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: masturberen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: masturberend
Past participle - Verleden deelwoord: gemasturbeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmasturbeer
jijmasturbeert
hijmasturbeert
wijmasturberen
julliemasturberen
zijmasturberen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemasturbeerd
jijhebt gemasturbeerd
hijheeft gemasturbeerd
wijhebben gemasturbeerd
julliehebben gemasturbeerd
zijhebben gemasturbeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmasturbeerde
jijmasturbeerde
hijmasturbeerde
wijmasturbeerden
julliemasturbeerden
zijmasturbeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemasturbeerd
jijhad gemasturbeerd
hijhad gemasturbeerd
wijhadden gemasturbeerd
julliehadden gemasturbeerd
zijhadden gemasturbeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal masturberen
jijzult masturberen
hijzal masturberen
wijzullen masturberen
julliezullen masturberen
zijzullen masturberen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemasturbeerd hebben
jijzult gemasturbeerd hebben
hijzal gemasturbeerd hebben
wijzullen gemasturbeerd hebben
julliezullen gemasturbeerd hebben
zijzullen gemasturbeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou masturberen
jijzou masturberen
hijzou masturberen
wijzouden masturberen
julliezouden masturberen
zijzouden masturberen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemasturbeerd hebben
jijzou gemasturbeerd hebben
hijzou gemasturbeerd hebben
wijzouden gemasturbeerd hebben
julliezouden gemasturbeerd hebben
zijzouden gemasturbeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmasturbeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information