marlen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of marlen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: marlen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: marlend
Past participle - Verleden deelwoord: gemarld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmarl
jijmarlt
hijmarlt
wijmarlen
julliemarlen
zijmarlen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemarld
jijhebt gemarld
hijheeft gemarld
wijhebben gemarld
julliehebben gemarld
zijhebben gemarld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmarlde
jijmarlde
hijmarlde
wijmarlden
julliemarlden
zijmarlden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemarld
jijhad gemarld
hijhad gemarld
wijhadden gemarld
julliehadden gemarld
zijhadden gemarld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal marlen
jijzult marlen
hijzal marlen
wijzullen marlen
julliezullen marlen
zijzullen marlen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemarld hebben
jijzult gemarld hebben
hijzal gemarld hebben
wijzullen gemarld hebben
julliezullen gemarld hebben
zijzullen gemarld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou marlen
jijzou marlen
hijzou marlen
wijzouden marlen
julliezouden marlen
zijzouden marlen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemarld hebben
jijzou gemarld hebben
hijzou gemarld hebben
wijzouden gemarld hebben
julliezouden gemarld hebben
zijzouden gemarld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmarl

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information