logeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of logeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: logeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: logerend
Past participle - Verleden deelwoord: gelogeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklogeer
jijlogeert
hijlogeert
wijlogeren
jullielogeren
zijlogeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelogeerd
jijhebt gelogeerd
hijheeft gelogeerd
wijhebben gelogeerd
julliehebben gelogeerd
zijhebben gelogeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklogeerde
jijlogeerde
hijlogeerde
wijlogeerden
jullielogeerden
zijlogeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelogeerd
jijhad gelogeerd
hijhad gelogeerd
wijhadden gelogeerd
julliehadden gelogeerd
zijhadden gelogeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal logeren
jijzult logeren
hijzal logeren
wijzullen logeren
julliezullen logeren
zijzullen logeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelogeerd hebben
jijzult gelogeerd hebben
hijzal gelogeerd hebben
wijzullen gelogeerd hebben
julliezullen gelogeerd hebben
zijzullen gelogeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou logeren
jijzou logeren
hijzou logeren
wijzouden logeren
julliezouden logeren
zijzouden logeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelogeerd hebben
jijzou gelogeerd hebben
hijzou gelogeerd hebben
wijzouden gelogeerd hebben
julliezouden gelogeerd hebben
zijzouden gelogeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlogeer

Translations

  • board, to receive meals and lodging in exchange for money
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bivakkeren
    verblijven

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French loger. See: French 'loger'.

    Additional Information