kikkeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kikkeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kikkeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kikkerend
Past participle - Verleden deelwoord: gekikkerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkikker
jijkikkert
hijkikkert
wijkikkeren
julliekikkeren
zijkikkeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekikkerd
jijhebt gekikkerd
hijheeft gekikkerd
wijhebben gekikkerd
julliehebben gekikkerd
zijhebben gekikkerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkikkerde
jijkikkerde
hijkikkerde
wijkikkerden
julliekikkerden
zijkikkerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekikkerd
jijhad gekikkerd
hijhad gekikkerd
wijhadden gekikkerd
julliehadden gekikkerd
zijhadden gekikkerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kikkeren
jijzult kikkeren
hijzal kikkeren
wijzullen kikkeren
julliezullen kikkeren
zijzullen kikkeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekikkerd hebben
jijzult gekikkerd hebben
hijzal gekikkerd hebben
wijzullen gekikkerd hebben
julliezullen gekikkerd hebben
zijzullen gekikkerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kikkeren
jijzou kikkeren
hijzou kikkeren
wijzouden kikkeren
julliezouden kikkeren
zijzouden kikkeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekikkerd hebben
jijzou gekikkerd hebben
hijzou gekikkerd hebben
wijzouden gekikkerd hebben
julliezouden gekikkerd hebben
zijzouden gekikkerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkikker

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From kikker (“frog”) + -en.

Additional Information