keuzelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of keuzelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: keuzelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: keuzelend
Past participle - Verleden deelwoord: gekeuzeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkeuzel
jijkeuzelt
hijkeuzelt
wijkeuzelen
julliekeuzelen
zijkeuzelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekeuzeld
jijhebt gekeuzeld
hijheeft gekeuzeld
wijhebben gekeuzeld
julliehebben gekeuzeld
zijhebben gekeuzeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkeuzelde
jijkeuzelde
hijkeuzelde
wijkeuzelden
julliekeuzelden
zijkeuzelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekeuzeld
jijhad gekeuzeld
hijhad gekeuzeld
wijhadden gekeuzeld
julliehadden gekeuzeld
zijhadden gekeuzeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal keuzelen
jijzult keuzelen
hijzal keuzelen
wijzullen keuzelen
julliezullen keuzelen
zijzullen keuzelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekeuzeld hebben
jijzult gekeuzeld hebben
hijzal gekeuzeld hebben
wijzullen gekeuzeld hebben
julliezullen gekeuzeld hebben
zijzullen gekeuzeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou keuzelen
jijzou keuzelen
hijzou keuzelen
wijzouden keuzelen
julliezouden keuzelen
zijzouden keuzelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekeuzeld hebben
jijzou gekeuzeld hebben
hijzou gekeuzeld hebben
wijzouden gekeuzeld hebben
julliezouden gekeuzeld hebben
zijzouden gekeuzeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkeuzel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information