kapselen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kapselen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kapselen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kapselend
Past participle - Verleden deelwoord: gekapseld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkapsel
jijkapselt
hijkapselt
wijkapselen
julliekapselen
zijkapselen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekapseld
jijhebt gekapseld
hijheeft gekapseld
wijhebben gekapseld
julliehebben gekapseld
zijhebben gekapseld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkapselde
jijkapselde
hijkapselde
wijkapselden
julliekapselden
zijkapselden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekapseld
jijhad gekapseld
hijhad gekapseld
wijhadden gekapseld
julliehadden gekapseld
zijhadden gekapseld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kapselen
jijzult kapselen
hijzal kapselen
wijzullen kapselen
julliezullen kapselen
zijzullen kapselen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekapseld hebben
jijzult gekapseld hebben
hijzal gekapseld hebben
wijzullen gekapseld hebben
julliezullen gekapseld hebben
zijzullen gekapseld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kapselen
jijzou kapselen
hijzou kapselen
wijzouden kapselen
julliezouden kapselen
zijzouden kapselen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekapseld hebben
jijzou gekapseld hebben
hijzou gekapseld hebben
wijzouden gekapseld hebben
julliezouden gekapseld hebben
zijzouden gekapseld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkapsel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information