kabbelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kabbelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kabbelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kabbelend
Past participle - Verleden deelwoord: gekabbeld

Cognates

See the 2 cognates of kabbelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkabbel
jijkabbelt
hijkabbelt
wijkabbelen
julliekabbelen
zijkabbelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekabbeld
jijhebt gekabbeld
hijheeft gekabbeld
wijhebben gekabbeld
julliehebben gekabbeld
zijhebben gekabbeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkabbelde
jijkabbelde
hijkabbelde
wijkabbelden
julliekabbelden
zijkabbelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekabbeld
jijhad gekabbeld
hijhad gekabbeld
wijhadden gekabbeld
julliehadden gekabbeld
zijhadden gekabbeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kabbelen
jijzult kabbelen
hijzal kabbelen
wijzullen kabbelen
julliezullen kabbelen
zijzullen kabbelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekabbeld hebben
jijzult gekabbeld hebben
hijzal gekabbeld hebben
wijzullen gekabbeld hebben
julliezullen gekabbeld hebben
zijzullen gekabbeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kabbelen
jijzou kabbelen
hijzou kabbelen
wijzouden kabbelen
julliezouden kabbelen
zijzouden kabbelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekabbeld hebben
jijzou gekabbeld hebben
hijzou gekabbeld hebben
wijzouden gekabbeld hebben
julliezouden gekabbeld hebben
zijzouden gekabbeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkabbel

Translations

  • babble, to make a continuous murmuring noise
  • ripple, to move like the undulating surface of a body of water
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Verbs referencing "kabbelen"

    German, old spelling kabbeln, Swedish käbbla.

    Additional Information