jappaneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of jappaneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: jappaneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: jappanerend
Past participle - Verleden deelwoord: gejappaneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikjappaneer
jijjappaneert
hijjappaneert
wijjappaneren
julliejappaneren
zijjappaneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gejappaneerd
jijhebt gejappaneerd
hijheeft gejappaneerd
wijhebben gejappaneerd
julliehebben gejappaneerd
zijhebben gejappaneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikjappaneerde
jijjappaneerde
hijjappaneerde
wijjappaneerden
julliejappaneerden
zijjappaneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gejappaneerd
jijhad gejappaneerd
hijhad gejappaneerd
wijhadden gejappaneerd
julliehadden gejappaneerd
zijhadden gejappaneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal jappaneren
jijzult jappaneren
hijzal jappaneren
wijzullen jappaneren
julliezullen jappaneren
zijzullen jappaneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gejappaneerd hebben
jijzult gejappaneerd hebben
hijzal gejappaneerd hebben
wijzullen gejappaneerd hebben
julliezullen gejappaneerd hebben
zijzullen gejappaneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou jappaneren
jijzou jappaneren
hijzou jappaneren
wijzouden jappaneren
julliezouden jappaneren
zijzouden jappaneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gejappaneerd hebben
jijzou gejappaneerd hebben
hijzou gejappaneerd hebben
wijzouden gejappaneerd hebben
julliezouden gejappaneerd hebben
zijzouden gejappaneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijjappaneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information